Biografie

Over het leven van Johannes Tauler is weinig bekend.[1] Uit de beschikbare bronnen is met enig creatief speurwerk af te leiden dat hij aan het begin van de 14e eeuw te Straatsburg geboren moet zijn als zoon van een welgestelde familie. Op jeugdige leeftijd, vermoedelijk in 1315, treedt hij in bij de orde van de predikbroeders.[2] Als student te Straatsburg zal Johannes waarschijnlijk het voorgeschreven leertraject doorlopen hebben, om dan op de leeftijd van 25 jaar tot priester gewijd te worden. Hij zal zijn leven voornamelijk in dienst gaan stellen van de prediking en de zielzorg aan vrouwen, de cura monialium. Vrouwelijke religieuzen van zijn orde, begijnen en andere semi-religieuze vrouwen, ze maken een belangrijk deel uit van zijn werkende leven, een leven zoals de orde dat van hem verlangt.

Tauler zal gedurende zijn leven veel reizen. Wanneer Straatsburg onder een interdict valt[3], verhuist hij met de predikbroeders naar Bazel (1339-1342). Hij onderneemt een reis, misschien twee, naar Medingen bij Dillingen aan de Donau, waar hij samen met Heinrich van Nördlingen, een priester, de mystica Margaretha Ebner bezoekt (1339 en 1347). Er zijn sporen van zijn aanwezigheid gevonden in Keulen (1339 en 1346). Rond zijn vijftigste levensjaar bezoekt hij Johannes Ruusbroec in Groenendael, gelegen in het Zoniënwoud ten zuiden van Brussel.[4]

Tauler wordt een beroemd prediker en een gezocht raadgever voor de godsvrienden. Deze godsvrienden vormen een los netwerk van godminnende mensen die voornamelijk wonen in steden langs de Rijn en in de lage landen.[5] [6]

Volgens een legende zal Greta, zijn zus, naast hem staan, wanneer haar broer sterft in het tuinhuisje van het dominicanessenklooster Sint-Nikolaas in undis te Straatsburg, het klooster waar zij dan priorin is. In die omsloten en weldadig beplante kloostertuin te midden van zeldzame en geneeskrachtige kruiden heeft zij haar broer in de laatste fase van zijn leven verzorgd en verpleegd.

Een van de weinige zaken die we wel met zekerheid weten, is zijn overlijdensdatum: Johannes Tauler sterft op 16 juni 1361. Rijke inwoners hebben voor hun beroemde stadsgenoot een levensgrote grafsteen laten maken waarop die datum voor altijd te lezen is.[7]

Lees verder


[1] Zie: Scheeben, H. C.: Zur Biographie Johann Taulers, in: Filthaut (Hg.), Johannes Tauler, ein deutscher Mystiker, 1961, pag. 19-36. Zie ook de informatieve monografie van: Gnädinger, L.: Johannes Tauler. Lebenswelt und mystische Lehre. München 1993. Voor een lijvig maar compleet overzicht, zie: Gabriel, Jörg: Rückkehr zu Gott – Die Predigten Johannes Taulers in ihrem zeit- und geistesgeschichtlichen Kontext; zugleich eine Geschichte hochmittelalterlicher Spiritualität und Theologie. Reihe: Studien zur systematischen und spirituellen Theologie Bd. 49, Würzburg 2012.

[2] Deze dan nog jonge orde ontving honderd jaar eerder, op 22 december 1215, de pauselijke goedkeuring. De orde, die veel waarde hecht aan degelijke studie en contemplatie, heeft een grote aantrekkingskracht op jonge studiegeschikten. De orde groeit snel en verspreidt zich in enkele decennia over heel Europa. In 1224 wordt er al een klooster gevonden in Straatsburg, eerst buiten de muren, maar vanaf 1245 binnen de muren van de stad. Het klooster bevindt zich op enkele minuten lopen van het ouderlijk huis van de familie Tauler. Buiten de muren van de stad treffen we in het midden van de dertiende eeuw al zeven kloosters aan voor de vrouwelijke tak van de orde. Enkele eeuwen later worden de leden van de orde ook wel dominicanen en dominicanessen genoemd, naar de stichter van de orde de Spanjaard Dominicus Guzman. Voor een uitgebreide geschiedenis van de beginjaren van de orde, zie: Kühl, Arnold: Die Dominikaner im deutschen Rheingebiet und im Elsaß während des dreizehnten Jahrhunderts. Mit einem Exkurs über: Die Entwicklung dominikanischer Ordensgeschichtsschreibung. [Diss.] Albert-Ludwigs-Universität zu Freiburg i/Brg 1923.

[3] Het betreft een conflict tussen Paus Johannes XXII en Keizer Lodewijk de Beier. De stad Straatsburg steunde de keizer, de dominicanen de paus. In 1339 legde de paus Straatsburg een interdict op. Er worden geen sacramenten meer toegediend, uitzonderingen blijven echter mogelijk.

[4] Voor het bezoek van Tauler aan Ruusbroec, zie de biografie van Ruusbroec, geschreven door Pomerius (Hendrik Utenbogaerde) tussen 1414 en 1420: De origine monasterii Viridisvallis et de gestis patrum et fratrum in primordiali fervore ibidem degentium, boek III, hfdst. 18. Warnar hypothetiseert het jaar 1346 voor het bezoek, zie: Warnar, G.: Ruusbroec. Literatuur en mystiek in de veertiende eeuw , Amsterdam 2003, pag. 127.

[5] Schiewer, Regina Dorothea: ‘Vos amici Dei estis’: Die ‘Gottesfreunde’ des 14. Jahrhunderts bei Seuse, Tauler und in den ‘Engelberger Predigten’: Religiöse Elite, Verein oder Literaturzirkel? In: Oxford German studies. Bd. 36 (2007) Heft 2. – S. 227-246.

[6] Gewezen moet hier nog worden op het zogenaamde ‘Meisterbuch’. Het handelt over de bekering van een hoogopgeleide en succesvolle prediker. Een eenvoudige leek opent hem de ogen en bevrijdt hem zo van zijn spirituele arrogantie. Het boek is waarschijnlijk geschreven door de belangrijke ‘gottesfreund’ Rulman Merswin (1307-1382), een rijke Straatsburger koopman, die nauwe contacten onderhield met Tauler, die zijn biechtvader was. Dit werk wordt sinds de 15e eeuw gehouden voor een biografie van Johannes Tauler, hoewel zijn naam in het boek niet genoemd wordt. In de 19e eeuw is het werk door Heinrich Denifle O.P. als niet authentiek gewaardeerd. Mogelijk dat er wel elementen in het boek zitten waarbij Tauler als voorbeeld heeft gediend, maar dat is niet te achterhalen. De geheimzinnige ‘Gottesfreund vom Oberland’, die verantwoordelijk zou zijn voor de bekering van Tauler, is waarschijnlijk een fictieve figuur. Steeds weer is geprobeerd om hem te identificeren met een historisch persoon. Zie bijv. Peter Huijs: Taulers Weg naar binnen, bloemlezing uit de preken van Johannes Tauler 1300 – 1361, Rozekruispers Haarlem, 2005. Voor de kritische analyse van dit verhaal over de bekering van Tauler, zie: Heinrich Suso Denifle: Taulers Bekehrung kritisch untersucht. Straßburg 1879.

[7] Corin, A.-L.: La tombe de Johannes Tauler, Revue Belge de philologie et d’histoire, I (1922). Pag. 665-676.