Opbouw en karakter van de preken

De opbouw van de preken volgt min of meer een traditioneel patroon. Op het ‘exordium’ de inleiding, volgt de ‘tractatio’, het hoofdonderdeel, dat veelal de theosis (de weg naar de vergoddelijking) viseert met als eindpunt de unio mystica (de vereniging met God). Op het hoogtepunt van de thematische opzet eindigt de preek meestal abrupt met een korte afsluitende formule die de vorm heeft van een kort gebed, bij wijze van ‘conclusio’.

De preek heeft het karakter van een exhortatie, een oproep, waarbij Tauler niet zozeer argumentatief en dwingend te werk gaat, maar de toehoorders op een losse, innige en vertrouwelijke wijze uitnodigt om in zijn meerlagige meditatief-poëtische woorden zelf de aansporing te ontdekken die aansluit bij hun individuele spirituele ontwikkeling.[31] [32]

Tauler is geen belerende meester, maar een kordate verloskundige.

Hij begeleidt de godsgeboorte in de ziel.[33]

Lees verder


[31] Tauler wil ook hier niet zozeer een leermeester zijn, maar mystagoog: iemand die inleidt in het mysterie. Hij maakt soms ter verheldering, hoewel niet expliciet, gebruik van het klassiek drievoudig schema van de opgang van de ziel naar God: de via purgativa, via illuminativa en de via unitiva, en combineert dat met een andere klassieke driedeling: de weg van de beginneling, de weg van de gevorderde en de weg van de volmaakte. Meer gericht op de beleving van degenen die de weg (de omkeer uit het eigengericht-zijn (amor sui) gaan, gebruikt hij de drievoudige indeling: jubilacio, getrenge, úbervart. Steeds wordt de toehoorder uitgenodigd zijn eigen pad te gaan. Taulers vingerwijzingen vormen bakens op die weg.

[32] Ten grondslag aan deze benadering ligt het neoplatoonse exitus-reditus schema: het idee dat het bestaan van een mens verloopt als een cyclus. De mens vertrekt vanuit de eenheid van God, om naar diezelfde eenheid terug te keren. Tauler beziet de mens hierbij enerzijds in zijn concrete bestaan als afhankelijkheid en als afstraling van Gods drieëne wezen (imago dei) en anderzijds viseert hij de mens in zijn streven terug naar de ene God, zijn oerbeeld en eenheidsprincipe. Tauler heeft in zijn preken vooral aandacht voor die laatste benadering, die hij praktisch uitwerkt (loskomen uit de eigenliefde, amor sui), en hij doet dat binnen een christocentrische context, overigens zonder die eerste, meer filosofische benadering uit het oog te verliezen. We treffen in zijn filosofie een combinatie van verschillende elementen: het neoplatoonse exitus-reditus schema, het platoons eros-thema als het creatuurlijke verlangen in de mens naar God, het van pseudo-Dionysius (Dionysius Areopagita) overgenomen element van de boven het intellect uitstijgende, in stille duisternis gehulde eenheidservaring, het van Proclus overgenomen idee van het ‘unum in nobis’ als mogelijkheidsvoorwaarde voor die eenheidservaring, en de van Augustinus overgenomen notie van een verborgen diepte in de ziel (abditum mentis), de grond waarin de toegang tot God te ontdekken is. Voor een heldere analyse van de neoplatoonse, filosofische thema’s in de preken van Tauler, zie: Schlüter D., Philosophische Grundlagen der Lehren Johannes Tauler, in Johannes Tauler. Ein deutscher Mystiker. Gedenkschrift zum 600. Todesdag, hrsgbn. von E. Filthaut, Essen, (1961), blz. 122-161. Zie tevens het baanbrekende werk van: Wyser P., Taulers Terminologie vom Seelengrund, in Altdeutsche und altniederländische Mystik, hrsgbn. von K. Ruh, (Wege der Forschung, Bd. XXIII), Darmstadt, 1964, blz. 324-352.

[33] Voor de verworteling van deze topos in de leer van de kerkvaders, zie het oudere maar nog altijd lezenswaardige artikel van Hugo Rahner: Die Gottesgeburt: Die Lehre der Kirchenväter von der Geburt Christi im Herzen des Gläubigen, Zeitschrift für katholische Theologie . Vol. 59, No. 3 (1935), pp. 333-418. Voor een vergelijking tussen de benadering van Eckhart en Tauler zie: Mösch Caroline F.: “Daz disiu Geburt geschehe”: Meister Eckharts Predigtzyklus Von der êwigen geburt und Johannes Taulers Predigten zum Weihnachtsfestkreis. Saint-Paul 2006.