Zijn leer

Tauler spreekt van een innerlijke adel van de menselijke ziel.[11] Er ligt iets geheimzinnigs verborgen in de menselijke ziel; iedere ziel herbergt een innerlijke kern die een speciale band met God heeft. Tauler noemt die kern, in navolging van zijn geliefde leermeester Eckhart[12], de grond[13]. Daar in de grond, in een stille verborgenheid, is God te vinden.[14]

Hoe God zich in de innerlijke grond van de ziel gevestigd heeft en hoe hij er verborgen ligt en bedekt, hij die dat bij zichzelf kon waarnemen, onderkennen en schouwen, hij zou zonder twijfel zalig zijn.[15]

Er huist in de mens een ingeboren verlangen, een jagen dat rusteloos zijn bestemming zoekt; het is precies dit gevoel van heimwee, van afwezigheid en gemis dat de mens de weg wijst. Het verlangen stuwt en trekt de mens naar binnen, naar die grond, de grond waarin God verborgen ligt. In God vindt het menselijk verlangen zijn eindpunt, zijn rust. Daar is het dat de ziel haar thuis vindt.

Zoals de steen op de aarde hoort en het vuur in de lucht, zo de ziel in God.[16]

En zoals de mens God zoekt, zo blijkt God de mens te zoeken. Ja, in alles wat is, in alles wat God geschapen heeft, roept hij de mens. Het ene verlangen zoekt zo het andere.[17] Een mysterieuze liefdesbeweging komt op gang, een dynamiek waarin God het initiatief neemt. Hij plant in ons het verlangen en verleidt ons met zijn schepping.

Waarlijk, zo zeer verlangt God naar ons, dat het is alsof zijn hele zaligheid in ons gelegen is. Alles wat is, alles wat God de Vader gemaakt en geschapen heeft in de hemel en op aarde met al zijn wijsheid en goedheid, het is door hem bedoeld om ons hiermee te roepen en uit te nodigen terug in onze oorsprong, en ons terug te brengen in hem.[18]

Eenmaal in die verborgenheid in de grond aangekomen, ontdekt de mens dat hij daar, in zijn ongeschapenheid, van eeuwigheid geweest is; nee, wat hij zoekt, nooit heeft hij het verlaten.

In de verborgenheid zal de geschapen geest teruggevoerd worden in zijn ongeschapenheid, terug in waar hij van eeuwigheid af geweest is nog voor hij geschapen werd, en hij zal zich God weten in God en zichzelf toch schepsel en geschapen.[19]

Dit dan is de bestemming: één te zijn met het ene, de unio mystica.[20] [21] Alle mensen hebben deze bestemming, ja, iedereen heeft die mogelijkheid, al kan niet iedereen het geloven. Tauler verwijst naar de heidense wijsgeer Proclus (412-485).[22]

Hierover zei een heidense leermeester, Proclus: ‘Terwijl en zolang de mens met de mindere, zich onder hem bevindende beelden blijft omgaan, kan niet aangenomen worden dat de mens in deze grond ooit terecht zal komen. Dat deze in ons is, dat vervult ons met ongeloof; we kunnen niet geloven dat iets dergelijks bestaat, niet dat in ons zoiets kan zijn. Maar’, zei hij, ‘wil je ervaren dat het wel zo is, laat dan alle menigvuldigheid los en aanschouw dan met de ogen van je verstand dit ene; wil je dan nog hoger geraken, laat dit verstandelijk kijken en deze aanblik los – want het verstand bevindt zich onder jou – en word één met het ene’. En hij noemt dit ene dan: ‘een stille, zwijgende, slapende, goddelijke, bovenzinnenlijke duisternis’.[23]

Wanneer de mens zijn bestemming dan kent, wat weerhoudt hem dan op weg te gaan? Als een refrein zal het in iedere preek weerklinken: de mens moet zijn natuurlijke eigengerichtheid loslaten om te geraken in die grond.

Kind, wil je in Gods innerlijk opgenomen en in hem omgevormd worden, dan moet je aan jezelf ontworden en aan elke eigenheid en zelfgenoegzaamheid, en aan bedrijvigheid en aanmatiging en aan elke wijze waarop je jezelf bezeten hebt; met minder gaat het niet.[24]

Dit pad tot de vergoddelijking van de mens, ook wel de deïficatio of theosis genoemd, is voor de christen Tauler slechts mogelijk doordat God mens werd.[25]

Want mens werd hij, opdat de mens God zou worden.[26]

Tauler maakt duidelijk wat zijn overtuiging is: hij predikt de Imitatio Christi, de navolging van Christus.

Want hierop is alles gericht, alles wat ik en alle leraren steeds onderricht hebben: dat we deze minnelijke voetstappen zullen navolgen.[27]

Tauler nodigt zijn toehoorders uit die reis, de via mystica, te gaan. Hij schetst niet alleen het heerlijke eindpunt, maar als een wijze en ervaren reisbegeleider waarschuwt hij de reizigers voor de harde, dorre reis, de donkere nacht en de eenzaamheid die hen te wachten staat.

Lieve kinderen, al mochten jullie geen zoetheid ervaren, schrik daarvan dan niet. Wanneer de mens het zijne doet en hij daarbij dan inwendig verlaten is, dan gaat dit uit boven welk smaken of ondervinden men ook maar hebben kan; wanneer alle menselijk krachten opgespannen staan naar God en deze mens daar helemaal verlaten staat, dorstend God op ondervindelijke wijze lief te hebben, en hij zichzelf dan aantreft te midden van donkere, koude dorheid: kinderen, dit kruis, het gaat uit boven al de andere kruizen die men maar dragen kan. Deze bittere ellende, ze brengt de mens nader tot de grond van de levende waarheid dan welk innerlijk gevoelen ook.[28]

Ook verder op het pad volgt Tauler zijn leermeester Eckhart. Na en in de doorbraak in de godheid zal de mens, vanuit en binnenblijvend in die eenheid, terugkeren naar de menigvuldigheid van de schepping om vruchtbaar te worden voor die schepping, hij kan niet anders. De vita contemplativa en de vita activa, het beschouwend en het werkend leven, ze vloeien in elkaar over en zijn uiteindelijk niet te scheiden van elkaar.[29] De praktische Lebemeister Tauler geeft ook hier weer een hint. Aan de innerlijk gevoelde vrede bij de zorg voor zijn naasten, daaraan kan een mens aflezen of hij op de juiste weg is.

Zou deze mens nu opgaan in dit inwendige werk en zou God hem dan te verstaan geven dit hoge edele werk te staken om een zieke te gaan bezoeken, en om wat soep voor hem te bereiden, dan zou deze mens dat in grote vrede moeten doen. En zou ik een van deze mensen zijn en zou ik dat moeten laten en naar buiten keren om te preken of iets dergelijks, dan kon het weleens zo zijn dat God mij meer nabij was en mij misschien meer goeds deed in dat uiterlijk werk dan tijdens de meest verheven beschouwing.[30] 

Lees verder


[11] Tauler neemt het preekprogramma van Eckhart grotendeels over. Hij spreekt net als Eckhart over voornamelijk vier thema’s: afgescheidenheid, de adel van de ziel, de godsgeboorte in de ziel en de doorbraak in de godheid. Tauler formuleert zijn inzichten wat voorzichtiger dan Eckhart en heeft meer aandacht voor praktische raadgevingen. Voor een goede inleiding in de preekthema’s van Eckhart, zie: Maas, Frans: Van God houden als van niemand. Preken van Eckhart, Ten Have, Baarn 2001. Pag. 7-32.

[12] Eckhart heeft eeuwenlang in een verdachte hoek gezeten. Enkele van Eckharts hoge bespiegelingen (28 stellingen) werden in de bul ‘In Agro Dominico’ van 27 maart 1329 door paus Johannes XXII veroordeeld als ‘onkruid op de akker van de Heer’. Tauler weet wel waarom ze de opvattingen van zijn leermeester onjuist gewaardeerd hebben. Zonder de naam van zijn geliefde leraar te noemen geeft hij repliek: ‘Hij [Eckhart] sprak vanuit de eeuwigheid, en jullie verstaan het naar de tijd.’ Tauler is voorzichtig in zijn formuleringen, blijft binnen de orthodoxie, maar verdedigt voor de goede luisteraar zijn geliefde meester. Niet ongevaarlijk in die tijd. Tauler moet een wijze en dappere man geweest zijn.

[13] De term ‘grund’ neemt Tauler over van Eckhart. Er is een vloed aan literatuur over Meister Eckhart. Voor een goede inleiding zie: Bernard McGinn: The Mystical Thought of Meister Eckhart: The Man From Whom God Hid Nothing. New York: The Crossroad Publishing Company, 2001. McGinn introduceert hier de term ‘Mystiek van de Grond’ (pag. 35-53) om de opvattingen van Eckhart te kenschetsen. Tauler volgt Eckhart op deze weg van die mystiek van de grond. Voor een knappe samenvatting van de complexe leer van Eckhart, zie de afscheidsrede van prof. dr. Frans Maas: Vitale verscheidenheid van het ene goddelijke leven. Meister Eckhart en theorievorming in spiritualiteit, Rede in verkorte vorm uitgesproken bij het afscheid als hoogleraar Geschiedenis en grondslagen van de spiritualiteit aan de Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen op vrijdag 24 juni 2011. Radboud, Nijmegen 2011.

[14] Tauler noemt de grond ook wel ‘gemoed’. Hij benadrukt daarbij de geschapenheid van het gemoed. Tauler vermijdt hierbij […] die Eckhartsche Tendenz zum indifferentismus, weil das Gemüt nur im Mensen, nicht aber in Gott vorhanden ist (anders als der Grund) und damit dezidiert die Anwesenheit des einenden Gottesbezuges im geschöpflich begrenzten Individuum bezeichnet. Citaat uit: Büchner, Christine: Die Transformation des Einheitsdenkens Meister Eckharts bei Heinrich Seuse und Johannes Tauler, W. Kohlhammer Verlag, 2007, pag. 104.

[15] Preek 6,2

[16] Preek 6,2

[17] Tauler gebruikt in dit verband vaker het beeld van de psalmist (Ps. 41,8): de twee afgronden die elkaar verzwelgen. De afgrond die geschapen is, leidt de ongeschapen afgrond bij zich naar binnen, en de twee afgronden worden één enig één, één louter goddelijk zijn. Daar heeft de geest zich verloren in Gods Geest, en verdronken is hij in de grondeloze zee.’ (Preek 41,7). Niet alleen de grond, maar ook het stromende water en de zee spelen een belangrijke rol in de metaforiek van de rijnlander Tauler.

[18] Preek 65,1

[19] Preek 59,6. Tauler benadrukt in dit verband het tekort van de taal om de eenheidservaring weer te geven. ‘Hoe het hem daarbij vergaat en wat hij daar ervaart en smaakt en voelt, daarover kan niemand spreken noch zich een voorstelling maken, noch kan iemand het verstaan. Hoe zou iemand dat ook kunnen begrijpen of daarvan iets afweten! De geest weet het zelf niet, want hij is zo versmolten in de goddelijke afgrond dat hij niets weet, voelt of smaakt, niets dan een enige, loutere, zuivere, enkelvoudige God.’ Preek 21,4

[20] Deze eenheid is geen eenheid van identiteit, veeleer een relatie-eenheid. De unio mystica blijft bij Tauler binnen de orthodoxie. Tauler benadrukt, volgens de oude christelijke formule, dat de ziel slechts door de genade wordt wat God van nature is. In de eenheidservaring blijft het onderscheid tussen de ongeschapen en geschapen natuur (de mens) bestaan. Anders gezegd: de beleving van de mysticus kenmerkt zich door het genadevol opgaan in een eenheid (langs een versmelting (insmelten) van twee partners), maar vanuit het ontologisch perspectief blijft er een verschil tussen de partners. Hierbij is de volgende opmerking van M. Egerding wel van belang : ’Die Anerkennung der Geschöpflichkeit ist demnach gleichbedeutend mit der Verifizierung der menschlichen Nichtigkeit, was die Aufhebung aller Unterschiede des geschöpflichen nüt zu Gott zur Folge hat. Dies heißt letztlich nichts anderes, als daß die Identifikation mit der geschöpflichen Differenz zur Differenzlosigkeit in Bezug auf Gott führt.’ Egerding, M,: Die Metaphorik der spätmittelalterlichen Mystik. Band 1: systematische Untersuchung. Band 2: Bildspender – Bildempfänger – Kontexte: Dokumentation und Interpretation. Paderborn 1997. Citaat: pag. 194 nt. 1.

[21] Tauler gebruikt vaak de klassieke metaforen om de eenheid te verduidelijken, zoals : een druppeltje water in de zee, of in een vat wijn; het ijzer dat in het vuur verhit wordt en dan gaat gloeien en vuurgelijk wordt; de lucht die omgevormd wordt in het licht en zelf licht lijkt; de ziel die godgekleurd wordt. Bruidsmystiek met haar erotische metaforiek van eenheid en versmelting is spaarzaam bij hem te vinden, extase en overdreven affectiviteit worden buiten de deur gehouden. Voor zijn mogelijke bronnen, zie: Bernardus van Clairvaux. de dil. Deo c.X. 28, PL 182 991 A-B; Eckhart. RdU cap. 20. Voor een bespreking van deze metaforen, zie het bovengenoemde werk van M. Egerding en tevens: J. Pépin, «Stilla aquae modica multo infusa uino, ferrum ignitum, luce perfusus aer. L’origine de trois comparaisons familières à la théologie mystique médiévale», in: Miscellanea André Combes, t. I [= Divinitas 11, 1967], p. 331-375.

[22] Tauler is op het spoor gekomen van Proclus door een werk van zijn ordegenoot Berthold von Moosberg (gestorven na 20 april 1361) die als Lesemeister werkzaam was aan het studium generale te Keulen. Het bedoelde werk van von Moosberg draagt de titel: Expositio super elementationem theologicam Procli. Tauler ontmoet Berthold von Moosberg vermoedelijk tijdens een van zijn bezoeken aan Keulen. Tauler neemt de leer van het ‘unum in nobis’ (het ene in ons), de voorwaarde tot de unio mystica, over van Proclus. Zie: Sturlese Loris: Tauler im kontext. Die philosophischen Voraussetzungen des› Seelengrundes‹ in der Lehre des deutschen Neuplatonikers Berthold von Moosburg. Verschenen in: Homo divinus, Philosophische Projekte in Deutschland zwischen Meister Eckhart und Heinrich Seuse. W. Kohlhammer Verlag, 2007, pag. 169-197.

[23] Preek 29,4

[24] Preek 31,5

[25] Voor een diepgaand overzicht van de patristische traditie van de theosis (deïficatie, vergoddelijking) zie: Norman Russell: The Doctrine of Deification in the Greek Patristic Tradition; Oxford Early Christian Studies; Oxford and New York: Oxford University Press, 2004. Voor een doortimmerd systematisch-theologisch overzicht, zie: Christoph Schönborn O.P.: Über die richtige Fassung des dogmatischen Begriffs der Vergöttlichung des Menschen, in: Freiburger Zeitschrift für Philosophie Und Theologie 34 (1-2):3-47 (1987).

[26] Preek 30,3

[27] Preek 61,3

[28] Preek 58,5

[29] Cfr. Mieth, Dietmar, Die Einheit von vita activa und vita contemplativa in den deutschen Predigten und Traktaten Meister Eckharts und bei Johannes Tauler; Untersuchungen zur Struktur des christlichen Lebens. Regensburg: F. Pustet, 1969.

[30] Preek 70,7